RSS

Verboden te verbieden

17 Jun

“Verboden te verbieden” ontstond als slogan in een samenleving waarin nieuwe, verrijkende, naar meer vrijheid neigende verwachtingen de kop werden ingedrukt. “Mei 68’ers” hadden gelijk hiervoor op de barricaden te komen, maar vandaag (en Christopher Lasch als een van de eersten) weten we dat teveel ego-vrijheid kan leiden tot een narcisme dat contraproductief wordt. Die ervaring leert ons om wel degelijk ruimte te geven, maar wanneer nodig bij te schaven. Zo is zelfdiscipline noodzakelijk, evenals respect voor zij die minder makkelijk omgaan met volle vrijheid.

Anderzijds gaat het adagio “verboden te verbieden” wellicht niet op jegens een stroming bewust minder vrijheid, minder ontplooiingsmogelijkheden als norm verdedigt. Zeker niet wanneer dit gebeurt vanuit een totalitair fundamentalistisch denken, en dat is dus incluis fascisme, stalinisme en leninisme.

Natuurlijk is het aan banden leggen van zij die de democratie verwerpen, een moeilijke oefening die juridisch makkelijk misbruikt kan worden omwille van de precedenten. Als men “algemeen belang” of publieke veiligheid als begrippen hanteert, zijn die makkelijk zeer ruim te gebruiken tegen diverse actiegroepen.

Men moet ook niet blind zijn voor het gegeven dat vele medeburgers niet geschoold zijn in het kritisch doorheen propaganda heen kijken. Bovendien neigen mensen biologisch (neurologisch) naar veiligheid en zekerheid. Zij verkiezen totaal-oplossingen i.p.v. de confrontatie met complexe situaties die niet met één pennenstreek, met één slogan, met één maatregel op te lossen zijn. Het succes van totalitaire ideologieën (en geloof is er daar eentje van) ligt hem in de verzuchting van velen om in volle zekerheid, ontdaan van twijfel en omringd door velen die hetzelfde gedrag en dezelfde gedachten aanhangen, in het leven te staan. Onze neuronen-structuur favoriseert een eenduidige, pasklare oplossing, want die geeft opnieuw gemoedsrust. “Leef zoals de Koran voorschrijft en er is harmonie”. “Smijt elke crimineel van vreemde origine buiten en de gevangenissen zijn halfleeg en je kan terug op straat komen”. Dit zijn logische uitspraken waarbij (los van het statistisch incorrecte, maar omdat de perceptie anders is dan de getallen, verdringt men de statistiek) inderdaad een gevoel van rust optreedt wanneer velen hetzelfde doen (geloofsbelijvenis) of denken.

Populisme en religie zijn als artsen die het volle vertrouwen krijgen van patiënten en alle initiatief overnemen. Zolang er medeburgers zijn die dit soort simplisme als wens uitdrukken, heeft een democratie het recht die krachten die dit simplisme bespelen (en dus manipulatief te werk gaan) te bestrijden. In de eerste plaats met gedachten, analyses en taal, maar als het niet anders kan, ook (ik zeg dus: ook, wat wil zeggen dat het naast de analyses en de kritische reflexie komt, en niet in de plaats van) met autoritaire maatregelen.

Waar de overheden in dit land de voorbije drie decennia in de fout zijn gegaan, is het opbouwen van een relatie met grote groepen van bv. Belgen van Maghrebijnse komaf, waardoor de impact van imams veel te groot is geworden. Enkel straathoekwerkers (brandjesblussers) en leerkrachten (machteloos wanneer de ouders niet volgen) zijn de sporadische aanspreekmomenten geweest tussen een seculiere overheid met haar verbasterde verlichtingswaarden en Islamgelovigen. De ontkerkelijking en ontkerstening van België gebeurde o.a. door de impact van wetenschappelijk (dus complex en kritisch) denken. Door het aanreiken van alternatieven; door het constant (bv. via de media) dialogeren en discussiëren in publieke fora. Dergelijke impact heeft de overheid (of de media, of het onderwijssysteem) nooit gehad op islamgelovigen in dit land. Hadden ze dat wel gehad, dan was Shari4Belgium nooit van de grond gekomen en waren ze veel sneller door de “eigen” gemeenschap (die eigenlijk geen eigen gemeenschap meer mag zijn!) weggelachen.

De ironie (maar ik vind het bijna sarcastisch) van het verhaal is dat door het wegvallen van een groot stuk kritische reflexie in de amusements-mediacultuur de publieke discussie ook voor veel Vlamingen niet meer aanwezig is en zij openstaan voor populisme, waarbij ze niet het geloofspopulisme aanhangen maar de consumptiemaatschappij als enig model zien en daarbij eisen dat ze gewoon met rust gelaten worden en kunnen consumeren wat en wanneer ze dat willen. De koran enerzijds, en consumptietempels als Uplace anderzijds, zijn heilige huisjes, en dus helaas geen stof tot kritische reflexie.

Advertenties
 
1 reactie

Geplaatst door op 17 juni 2012 in maatschappij, religie

 

Een Reactie op “Verboden te verbieden

  1. banneling

    17 juni 2012 at 12:39 pm

    Bv. als reactie:

    “De fundamentele veranderingen van de laatste 10 à 20 jaar, die blijkbaar een zoveelste keerpunt zullen zijn in de evolutie van Homo Sapiens Sapiens en in de Geschiedenis van de Mensheid, hebben echter nog niet al mijn denkschemata even grondig aangetast. Zoals bijvoorbeeld mijn neiging tot dualisme, voortvloeisel van mijn filosofisch uitgangspunt dat iets slechts bestaat als ook zijn/haar/het tegengestelde bestaat. Mij stuur je niet heen met de dooddoener dat “koude” niet bestaat en alleen een “gebrek aan warmte” is. Als “warmte” bestaat, dan ook “koude”: op dat punt ben ik noch tot een Belgisch compromis noch tot een Vlaamse toegeving bereid. Enfin. Deze rechtvaardiging van een hogere orde om deze neiging tot dualisme ook de vrije loop te laten bij onze kijk op de zogenaamde “rationalisering” van de menselijke soort. Volgens vele degelijke en slordige denkers zou deze “rationalisering” (van een in Auschwitz systematisch doordacht “Eigen Volk eerst” en “Law & Order” over Freuds uitspraak “Wo Es waR, soll Ich werden” tot Kareltje Marx’ vage en meer subtiele paragrafen over de “humanisering van de natuur en de naturalisering van de mens”) als hoofdlijn ten grondslag zou liggen aan alles en dus ook aan de actuele (voorlopig nog steeds “neoliberaal”-kapitalistische) globalisering en mondialisering. De actuele globalisering van de laatste 25 jaar was en is maar weer een spel om de (financieel) fittest toe te laten te komen bovendrijven en de rest van de broodetende mensen met eigentijdse als dusdanig niet-herkenbare holocausten op te lossen in allerlei met drones over ons uitgespoten vernietsende chemische vloeistoffen. Zo verliep het toch ook bij vorige globaliseringspieken, zoals deze in het tijdperk van de grote ontdekkingsreizigers als daar zijn: Christoffel Columbus (Spaans: Cristóbal Colón, Italiaans: Cristoforo Colombo), Vasco da Gama en Ferdinand Magellaan (Portugees: Fernão de Magalhães) of deze in het “stadium van het koloniaal imperialisme” van 1850 tot 1950.
    Ik heb altijd de Rede, de “ratio”, geassimileerd met de Wet. Zegt de Rede overigens ook niet over zichzelf dat haar redenen van bestaan juist liggen in 1) het ontdekken van de wetten die het wezen en de bewegingen van de Natuur en van haar “dingen” regelen en bepalen en 2) het schikken van onze levenswijze naar deze wetten (die overigens ook op ons eigen wezen en onze eigen bewegingen als menselijk dier of ding betrekking hebben)? En de Wet is een buiten ons om bestaande afspraak binnen onze gemeenschap (waarbij ik met handopsteken “voor” heb gestemd en u misschien “tegen” heb gestemd) die bepaalt hoe ons lichaam kan draaien en keren en vooral niet kan draaien en keren, zo niet krijgt ons lichaam een sanctie opgelegd die haar volkomen lamlegt (van enkelband tot de doodstraf). In die zin ettert de Rede, de Wet, in onze lichamen als iets dat we als loyaal gemeenschapswezen in ons hebben geïntegreerd maar dat we indien we als Robinson op een ver afgezonderd eiland woonden, nooit zouden hebben geaccepteerd. (Vandaar dat mensen die ervan dromen de grote pot van Euromillions te winnen, zo dikwijls aangeven dat ze hun miraculeuze winst zouden aanwenden om een groot huis op een klein eilandje te kopen.) De Rede, de Wet is in die zin de uiting van een dualiteit in ons wezen. En wordt de Rede arrogant of moet ze buitensporig worden ingezet, dan is dit een symptoom van een algemene pathologie van de samenleving of van de maatschappij, die men vroeger “decadentie” of “degeneratie” noemde. In haar gouden jaren 1880-1900 verwees het woord “décadence” overigens altijd meer naar een tijdsgeest of een maatschappelijke puinhoop dan naar een bepaald soort psychologisch persoonlijkheidstype! En in wezen is dat nog steeds zo: als we het hebben over het “(post)Dutroux-tijdperk”, dan verwijzen we veel meer naar bepaalde toenmalige maatschappelijke ontsporingen dan naar de enkeling Marc Dutroux, die van dat tijdperk alleen maar het best toonbare en illustratieve element was, “het monster” dus – het Latijnse “monstrum” = “dat wat de moeite is om met de vinger naar gewezen te worden, om aangekeken te worden”. Waarom zou je iemand zeggen: “Kijk daar!”, als daar niet iets “monsterachtigs” of “miraculeus” te zijn is? Cf. het begrip “monster zonder waarde” (dat tegenwoordig in handelsrelaties echter minder en minder wordt gebruikt). Zelfs al zou, in tijden van “decadentie” en wanneer alle individuen op lichaam en ziel zware vlekken van algemeen verval vertonen, 100% van de samenlevingsleden dokter of psycholoog zijn, de symptomen zouden niet in het minst minder pijnlijk of minder zichtbaar zijn. (Pijn hebben is anno 2012 overigens niet langer het probleem; wél lijden aan desnoods pijnloze symptomen die zonder meer zichtbaar zijn voor onze zo geliefde en dus gevreesde medemensen; daar leeft de geneeskunde tegenwoordig van.) Daarom roept elke kwestie waarbij naar de Rede of naar de “irrationaliteit” van de mens wordt verwezen, mijn eigen hoogst persoonlijke al lang geleden ontdekte “kleine waarheid” op.
    Het lijkt me dat sinds het “Begin der Tijden” (een “begin” dat niet identiek is aan “de oorsprong”) twee wijzen van menselijkheid met elkaar overhoop liggen. Die ruzie verklaart zelfs waarom we spreken over zoiets aantrekkelijk mysterieus als “de Tijden” (in het meervoud) en waarom we met het definitief beslechten van die ruzie op de “Dag des Oordeels” meteen het “Einde der Tijden” zullen mogen meemaken. (“Het Einde der Tijden”: daar verlangt de zelfmoordenaar naar; niet naar zijn biologische, psychische of sociale dood). Die ruzie betreft m.i. kort samengevat, zij met een keuze voor “psychologische” termen: de spontane flux van levensenergie en vitaliteit versus de gedisciplineerde zelfbeheersing. Reeds de eerste georganiseerde samenlevingen moeten met dit probleem van het juiste evenwicht tussen “vrijheid” en “zelfbeheersing” of opgelegde dwang (“wetten”) geworsteld hebben. De eerste afgekondigde oerwetten zoals “Gij zult niet doden” of het incestverbod waren al bij aanvang bijzonder dubbelzinnig. “Gij zult niet doden” is bijvoorbeeld geen algemeen verbod op moord en doodslag, maar heeft alleen betrekking op de gelijke leden van de eigen gemeenschap. Familievaders (zoals bijvoorbeeld de Romeinse pater familias) mochten ongestraft hun kinderen of hun slaven doden. Mozes en zijn zonen Israëls mochten zich in een oorlog met rivaliserende gemeenschappen onbeperkt uitleven in het uitmoorden of het levend verbranden van hun vijanden, vrouwen en kinderen inbegrepen. Dat onderscheid tussen beheerste omgang met gelijken (inbegrepen zichzelf) en wrede uitroeiing van niet verwante stammen was de algemene regel bij alle volkeren in de Oudheid en ze gold eigenlijk ook nog toen de Europese imperialistische landen van de 16de eeuw tot het begin van de 20ste eeuw de niet-Europese werelddelen koloniseerden. Dezelfde tweespalt merken we al vanaf de prehistorie in het dagelijkse leven binnen een gemeenschap. Aan de éne kant de “energiezuinige” mens die met een minimale besteding van lichamelijke en mentale energie een zo groot mogelijk aantal doelen (“jachtprooien”, “oogst”, “bezittingen”, etc.) wenst te realiseren. Aan de andere kant staat dan de laat ons maar zeggen “Nietzscheaanse” mens, die er net van geniet om zoveel mogelijk kracht (“lichaamsenergie”) in te zetten om zo het leven dat in hem huist aan den lijve te voelen. (Nietzsches afwending van zijn gewaardeerde Schopenhauer betreft precies diens boeddhistische morele conclusie om alle lijden zoveel mogelijk te vermijden door te verzaken aan verslavende verlangens en wilsuitingen). Op het vlak van de arbeid kijkt de energiezuinige mens op zijn moeizame bezigheden neer in termen van “productiviteit”: de opbrengst wordt afgemeten aan de geleverde inspanning. Het lijkt inderdaad niet onwijs om wanneer je van Oostende naar Brussel wilt reizen geen tijd te verliezen aan een nodeloze omweg via Antwerpen of Parijs. Een al even grote dwaasheid vormt het dus ook om 400 euro te betalen voor een iPhone als je identiek hetzelfde model voor 350 euro op de kop kunt tikken. En waarom zou je met inzet van veel energie en ongemak bukkend de vloer dweilen en schoonmaken wanneer je met borstel en stofzuiger je veel krachten en pijnlijke knieën kunt besparen?
    Maar een complete en extreme veralgemening van dit principe van energiezuinigheid eindigt echter wel in een georganiseerde vorm van levensinperking, van het vermijden van elk gebruik van levenskracht. Kortom: ze negeert, verstikt en doodt ook het wezen van wat het betekent te leven. Nietzsche schuift in zijn breuk met Schopenhauer juist het type mens naar voren die zijn levenskracht, zijn Wille zur Macht, effectief wil voelen, zelfs al gaat die maximale inzet van vitale kracht gepaard met lijden en pijn. Nietzsche kijkt minachtend neer op de “moderne mens”, die via berekende middelen en een minimale aanwending van energie een vooraf vastgelegd doel wil bereiken. Voor Nietzsche liggen levenslust en levensgenot precies in de ondoordachte maar wel fysiologisch aangevoelde inzet van die middelen zelf, relatief onafhankelijk van de verwezenlijking van een helder geformuleerd doel of de bevrediging van een specifiek verlangen dat via die middelen kan bereikt worden. Nietzsche zal zoals de West-Vlamingen van de betere standen ongetwijfeld niet hoog opgelopen hebben met het beroep van de kruidenier die alles op schaaltjes afweegt en het wisselgeld twee keer goed natelt. Vermoedelijk fungeert “kruidenier” in die betere kringen ook niet langer als scheldwoord omdat kruideniers ondertussen ongeveer volledig uitgestorven zijn. Soit. In tegenstelling tot de opties van de energiezuinige mens vormt het onmiddellijk lijfelijk aanvoelen van de levenslust zelf voor de energiekwistige mens het hoogste genot. Het stuiten op en het overwinnen van weerstand, de krachtmeting met een “vijand”: dat net verhoogt onze levensintensiteit en laat het lichaam zijn wat het is: kracht en “wil tot macht”. (Voor alle duidelijkheid: Nietzsche zelf was in geen enkel opzicht een fysiek agressieve persoon.) Het is inderdaad niet leuk in een spel of een wedstrijd te winnen tegen een tegenstrever die ver beneden je niveau speelt. Als winnen geen moeite kost, valt er ook niet veel plezier aan te beleven. Nietzsche stelde dan ook terecht dat je je alleen hoort te meten of te wedijveren met een vijand waarvoor je een diep respect hebt, een vijand die je qua sterkte evenwaardig is. De lustbeleving ligt op geen enkel moment in de “geld”waarde van het berekende resultaat maar telkens in de aanwending van je kracht, in de mate waarin je op deze manier jezelf kunt bevestigen en affirmeren, in de mate dat je je eigenwaardegevoel flink wat opkrikt. Het nogal laffelijk afwegen van kosten en baten is hier dus niet aan de orde.”

    Extract uit een misschien af te maken boek ?? Nou ja, wie behalve mij zelf die schrijft om de spanning van het stoppen met roken te beheersen, heeft daar wat aan ?

     

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

  • Archief

  • juni 2012
    M D W D V Z Z
    « Mei   Jul »
     123
    45678910
    11121314151617
    18192021222324
    252627282930  
  •  
    %d bloggers liken dit: