RSS

Categorie archief: Italië

Daar heb je Rubens weer

Akkoord, binnen 300 jaar zullen ze onze nazaten misschien om de vijf jaar opzadelen met retrospectives over Panamarenko, Fabre en Delvoye. En (iets boeiender) Magritte.

En wij krijgen dus om de zoveel jaar Rubens op ons dak. In 2004 was dat Lille (toen Europese Culturele Hoofdstad) met een resem imposante doeken en een eerbetoon dat mij in mijn pen deed kruipen -zie verder. En ditmaal (in Brussel) lijkt het erop dat men (eindelijk!) de man durft te tonen zoals ie was: een zakenman, conservatief en zijn winkel goed managend. Een PDG van een internationale KMO. Globalisering avant la lettre.

In 2004 schreef ik een column met als titel: Rubens, de triomf van een pedofiel KMO’er?

Dat ging als volgt:

Ik ben Pieter Paul pas beginnen appreciëren toen ik de 30 gepasseerd was. Ik vond zijn taferelen aanvankelijk nietszeggend, de symboliek kreeg geen vat op me en er stond eigenlijk teveel op zijn doeken. Nu heeft de symboliek nog steeds geen vat op me, daar hopeloos gedateerd (net als een hele resem opera’s die gemaakt werden in een tijdperk waarin de inzichten in de menselijke psyche vrij onnauwkeurig en ruw waren) en de expressies op de gezichten blijf ik verdacht pathetisch, en daarom emotioneel te eenzijdig vinden, maar ik heb de hand van de technicus Rubens, zijnde een groot ontwerper die een perfect gevoel voor verhoudingen had en met enkele lijnen niet alleen de omtrekken van een lichaam kon neerzetten maar ook beweging kan brengen en zo een tafereel een tijdsdimensie geeft; die hand dus heb ik weten te appreciëren. Maar ik blijf verbaasd dat men zich in onze lagelandencultuur (en daar reken ik Noord-Frankrijk ook bij dat niet enkel geografisch maar ook antropologisch gesproken m.i. nauw verwant is met onze contreien) blijkbaar aan een vreemde vorm van pedagogie bezondigt door te stellen dat de nieuwe generaties kennis moeten maken met Rubens. Dan ken ik andere kunstenaars die een grotere impact op een modern mens kunnen hebben dan deze dienaar van de contrareformatie. Maar misschien lijden sommige kunstorganisators aan amnesie en zit het vorige Rubensjaar niet meer in hun actieve geheugen geprent. Dat laatste zou me nochtans verbazen want dankzij Pieter Paul en de Antwerpse scene werd in 1977 zowat de culturele marketing uitgevonden. Cultuurtempels à la het Museum der Schone Kunsten hingen vol met vlaggen. De binnenstad werd overspoeld met stoeten, markten, bieren, worsten en broden, allemaal in het teken van PP. In elke winkel (bakker, slager, snuisterijverkoper) zag je Rubens-afbeeldingen die zelfs tot in mijn eigenste ouderlijk huis doordrongen waar een koperen plaat, ter grootte van een meter diameter, aan de schoorsteenmantel werd opgehangen. Wanneer ik alleen thuis was, vond ik het zalig om met een stok op de holle plaat te kloppen en de resonantie te aanhoren – ja, er zat muziek in Rubens, en misschien is het dat wel waarom men nu de merchandisingindustrie opnieuw op ons loslaat.
Mijn vader zaliger bezocht alle tentoonstellingen die er maar te bezoeken waren, en dat was voor mij, als 16-jarige, zeer vreemd. Fier, dat Rubens van hen was, sloeg de volkse Antwerpenaar zich op de borst. 1977 blijft dan ook in mijn geheugen geprent als het jaar waar ik meemaakte dat voetballiefhebbers, elektriciens, huisvrouwen en bouwvakarbeiders enthousiast naar die musea en kerken trokken waar Pieter Paul tentoon was gesteld. Nu begrijp ik waar ik de naïeve hoop gehaald heb dat kunst de massa’s kan inspireren. Sommige naïviteiten moet men een leven lang koesteren, denk ik dan maar troostend.

Rubens kan tekenen en schetsen als de beste; hij was een grootmeester. Hij beheerste de compositie als een topcomponist, ik zei het reeds, en als men in zijn werken troost vindt voor de menselijke ellende, dan mag dat voor mijn part.
Maar –en dat vergeet men steeds te vertellen aan die enthousiaste voetballiefhebbers, elektriciens, huisvrouwen en bouwvakarbeiders- Rubens was een manager die aan het hoofd stond van een grote KMO. Niks romantische ziel, niks miserabele zolderkamer – maar wel een klein fabriekje met een overigens schitterend atelier en een benijdenswaardige binnenkoer waar je vandaag nog de paardenhoeven kunt horen weergalmen. Niks maatschappelijke vernieuwing ook, want Rubens was naast bedrijfsleider ook reclamejongen en hielenlikker van het establishment. En daar wringt het schoentje toch wel. Rubens was enkel maar het product van zijn tijd (een Warholl mét tekentalent), in combinatie met een hoge vorm van opportunisme en marktkennis (een Wim Delvoye die zich aan politici verkoopt). Want dat hij zich prosititueerde om een diplomatieke carrière uit te bouwen, is duidelijk. Zo schilderde hij voor het Schoonverdiep op het Stadhuis een “Aanbidding van de Koningen”, dit dus voor de stad die nog steeds niet bekomen was van de furie der Spaanse troepen onder Farnese, waarbij ze deels vernield was geworden en daardoor cultureel en economisch terplekke bleef trappelen. Welke koningen moesten er indirect aanbeden worden? De Spaanse? Rubens volgde voor hen o.a. de krijgsverrichtingen van Spinola, tot en met het beleg van Breda. Moest Rudi Vranckx vandaag berichten uit de Golfoorlog zoals Rubens dat deed in zijn tijd… men zou Vranckx onmiddellijk beschuldigen van partijdigheid.

Rubens individuele geweten werd vervangen door een van bovenaf opgelegd collectief geloof, met alle punten en komma’s. Cuius regio, illius et religio (wiens streek, diens godsdienst), zoals het sinds de Vrede van Westfalen in 1648 heette. De greep van theoloog en beul werden versterkt. Het humanisme van Erasmus kloeg de vroomheid en haar fundamentele principes die leidden tot bloedbaden, aan. Michel de Montaigne verhief het bestaan tot een zoektocht vanuit kennisdrang én rationaliteit. Francis Bacon weigerde zich op iets anders te steunen dan proef en ondervinding. Hij droomde van een heerschappij van wijzen die over alle landsgrenzen heen hun bevindingen met elkaar zouden uitwisselen. Voor Rubens blijken deze ontwikkelingen niet in zijn levensverhaal voor te komen. Hij leek geen principes te hebben, tenzij die van de contrareformatie. De vernieuwing ging aan hem voorbij.
En die Rubens wordt dus gevierd, op een ogenblik dat extreemrechts en populisten à la Berlusconi of fanatieke Christenen zoals de bende rond Bush de wereld naar hun hand pogen te zetten. In hun wereldbeeld passen de werken van Rubens, maar hebben we nu net geen behoefte aan het tegendeel ervan? Waarom geen Rembrandt-Vondeljaar i.p.v. Rubens? Vondel koos altijd partij voor diegenen die onrecht aangedaan werden en hij durfde te hekelen. Waar hekelde Rubens? En waar zien we in zijn werken de humane droefheid en tastbaar a-religiositeit die te vinden zijn in de portetten van Rembrandt? Of waar zijn de volkse taferelen en dansen (ook één al beweging!) à la Brueghel en diens in zijn werken verborgen kritieken op de inquisitie? Voor Rubens was het blijkbaar altijd rijstpap met zilveren lepeltjes eten… Hij koos enkel voor de zekerheid van een nieuwe orthodoxie, haar schittering, haar proclamatie van de waarheid (die niet meer ‘bewezen’ hoeft te worden).
Rubens huurde massa’s schilders e tekenaars in die zijn schetsen inkleurden, de bloementaferelen (denk maar aan zoon Jan Breughel) op werken penseelden, etc. Op zich niks op tegen, maar wanneer ik vandaag de aanbidders van klassieke werken à la Rubens hoor fulmineren tegen moderne conceptuele kunstenaars omdat deze over te weinig vakmanschap en techniciteit zouden beschikken, dan roep ik: hypocrieten! (dat geroep, die a-religieuze maar o zo existentiële schreeuw à la Munch, mis ik overigens in de werken van Rubens). Hedendaagse conceptuele kunstenaars die hun werken schetsen en het dan laten uitwerken door technici (vaklui) doen net hetzelfde als Rubens. En toch worden zij afgerekend op hun vaardigheid, terwijl het duidelijk is dat men Rubens e.a. verheerlijkt omwille van hun classicisme en ze niet eens vergelijkt met het romantische ideaal van de kunstenaar, noch met de levensdrift van de neo-expressionist.
En Rubens had nog meer gemeen met de Jef Koonsen en Jan Fabres van vandaag. Hij bespeelde de commerce, hij gebruikte reclametechnieken en had een netwerk opgebouwd dat hem o.a. opdroeg diplomaat te spelen.
Rubens was m.a.w. geen kunstenaar, maar een schilder-tekenaar. Rubens maakte geen kunst maar decoratie. Of propaganda. Moest hij vandaag leven, hij zou manager zijn, of handelaar. Of PDG van een reclamebureau. Maar geen artiest, doch zondagsschilder. Voilà zie; hij zal zich nu wel omdraaien in zijn graf.

Maar het strafste vind ik dit: in het jaar dat ene Dutroux berecht zal worden en levenslang achter de tralies zal verdwijnen, eert men een man die naar onze normen pedofiel was, want hij huwde met een 15-jarige deerne. En neukte haar. En dat mag niet, tot spijt van Dutroux en co.
Momentje, dit moeten we toch even relativeren, zeggen historici. De zeden en gewoonten lagen toen anders; je kan geen twee tijdperken vergelijken. In zijn tijd werd wat Rubens deed, als normaal beschouwd. Het kind werd er helemaal niet verdedigd, maar mocht vrij mishandeld worden.
Kijk, ik vind dat dus een zwakke redenering. Op 15 jaar was men in die tijd weliswaar rijper dan in onze tijd, maar Helena Fourment had er als vrouw niet minder een ondergeschikte positie. Bovendien: als men het argument: “men dient de tijdsgeest te eerbiedigen” gaat doordrukken, dan komen we vandaag tot de vaststelling dat (in onze “tijdsgeest”) het individu en de privacy de vrijheid garanderen om anders (“zichzelf”) te (mogen en kunnen) zijn, overheersend is. Waarom verzetten we ons dan tegen pedofiele liefde en –mits instemming van de minderjarige- pedoseksuele praktijken? Omdat we niet altijd de heersende principes doortrekken. Genuanceerd in het leven staan, heet dat dan. Deed Rubens dit? Het valt te betwijfelen, en toch waren er in zijn tijd ook reeds dwarsliggers die tegen de heersende moraal ingingen.
Rubens was een actieve senior avant la lettre. Maar was hij een pedofiel? Of gewoon een ouwe bok die een groen blaadje lustte?
Wie zal het zeggen… Maar ook in dat laatste geval kan men hem bezwaarlijk een gezond voorbeeld noemen voor de aankomende generaties in onze samenleving. Of willen we de Thaïse sekstoeristen het gevoel geven dat ze in goed (groots) historisch gezelschap verkeren…
M.a.w. in Rubens eren we een conservatieve spindoctor die een KMO leidde, zich zo weinig mogelijk kritische vragen stelde en in bed dook met een minderjarige… Spiegel U, moderne jongere, aan deze man waarop we fier mogen zijn.
Iemand enig idee waarom we in 2004 een Rubensjaar van doen hebben?

Nu, amper drie later, is het dus weer van dat. Ik ben de tentoonstelling nog niet gaan bekijken, dus geef ik de initatiefnemers even het voordeel van de twijfel (ondanks de titel- Rubens was geen genie; genieën zijn geen opportunisten). Toch haast ik me eerstdaags naar het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten (ik krijg de kriebels van zulke benamingen; lang leve Bozar) en wie weet pen ik er wel iets over op deze blog.

 
1 reactie

Geplaatst door op 13 september 2007 in art, geschiedenis, Italië, maatschappij

 

Het fiasco van de Mamma-cultuur

Zuid-Italiaanse zonen worden hun hele jeugd, maar ook de decennia erna, door hun moeders in de watten gelegd. Ze komen te raden op hun schoot en (zo gaat de roddel) hebben geen geheimen voor hen. En ze eten uit hun ruif, tot ver voorbij ze zelf vijftig zijn. En dit soms dagelijks (vaak over de middag) terwijl de ega het avondeten voor hen zal klaarzetten. En dit in ruil voor het opvangen van mamma wanneer ze niet meer voor zichzelf kan zorgen. En dat is vaak ver voorbij haar zeventigste.
Mamma (oma) wast, kookt, serveert, ruimt af en doet de vaat. Geen traan wordt gelaten, geen spier vertrokken. Zo moet er geleefd worden volgens de tradities. Maar de nieuwe generatie vrouwen zal zich sneller in de schaduw van een olijfboom neerzetten en luieren.
Sommige families verblijven de volle twee maanden op een camping en hun echtgenoten vervoegen hen tijdens de weekends, waar ze zich dan ook laten bedienen en als het hen uitkomt van de kinderen ontdoen. De oudere mannen dutten de hele zater- en zondagnamiddag, gelegen in een klapstoel, in de schaduw van een boom.

De mamma-cultuur heeft vreemde gevolgen. Heel wat Zuid-Italiaanse mannen gedragen zich als verwende kinderen. Ze zijn het gewoon door iemand verzorgd en bediend te worden en ze zijn het gewoon dat de meeste van hun verzuchtingen ook uitgevoerd worden. Zo gedragen ze zich dus ook in het verkeer en op straat. Als in een cocon verrichten ze daden; en steeds staat het eigen zelf centraal. Niet dat ze iemand anders niets gunnen; nee, hun attitude is niet negatief tegenover de Ander; ze komen er gewoon niet toe stil te staan bij wat die Ander misschien van hen zou verwachten. Een vorm van fijngevoeligheid en attentheid is hen vreemd. Soms lijken ze wel voorgeprogrammeerde robotten die recht op hun doel afgaan zonder in te schatten welke gedragswijzigingen dat heeft voor anderen. En dat is het gevolg van de mamma-cultuur die de zoon zijn hele leven op een piëdestal plaatst. In het zuiden van Italië is Jezus niet de gekruisigde, maar de aanbeden zoon. Alleen gedragen deze Jezussen zich nogal egocentrisch. En houden ze er weinig gedachten op na.
Het geeft alvast een voorsmaakje van wat het China van binnen twintig jaar zal zijn, wanneer een hele generatie zal bestaan uit volwassenen die enig kind waren. Ikke, en de rest moet maar even wachten.
 
3 reacties

Geplaatst door op 14 augustus 2006 in antropologie, Italië, reizen

 
  • Archief

  • november 2019
    M D W D V Z Z
    « aug    
     123
    45678910
    11121314151617
    18192021222324
    252627282930  
  •