Ik leef in de waan een vrije wil te hebben. Als mijn hersentjes soms 7 seconden vroeger een beslissing nemen (7sec. voordat ikzelf zeg iets te hebben gekozen) dan is het duidelijk dat ik er van houd (verslaafd ben?) om mezelf te bedriegen.
In wezen ben ik getuige van wat mijn “ik” doet en gemakkelijkheidshalve zeg ik “ik” maar misschien zou ik beter in de derde persoon over mezelf praten. Het ik is een vreemde. Maar niet in mezelf want mezelf is het vreemde. Een vreemde bezit mijn ik. En die vreemde noem ik “ik”. Ik ben “autobezetter”, of nog correcter: ik word in bezit genomen door neurologische decisionmakers die mijn lichaam gebruiken als vehikel om wat te spelen.
Ter verduidelijking: dit zijn niet mijn woorden maar deze gebrouwen door mijn hersenactiviteiten, gevoed door lectuur die buiten mijn wil om gekozen werd door diezelfde hersenactiviteiten.
Of zoiets?
In ieder geval: “Iets” deed mij zeggen dat ik concreet iets bedoelde. Ook al hoorde ik mezelf op abstracte wijze praten en schrijven. Ik ben concreet, maar wat ik zeg klinkt zo abstract. Moest ik het concreet willen zeggen, ik zou het schilderen. Of met de mantel der stilte openbaren.